Het geplette graan

April, ergens middenin. Een vogel dartelt in de late ochtendlucht. Het beestje weet zijn dagen uit te kiezen. Want het ligt niet aan de boer dat hij de herboren vogel pas ziet als de lucht warm en helder is. Niet aan hem, die dagelijks de natuurelementen leest als de brieven van een oude vriend – ook als het leven in het stilste van de winter op zijn doodst is. De vogel is zijn voorbode, vroeger op het voorjaar, door de mooie dagen zelf aan te kondigen, als zijn lied schalt vanuit het nog groene gras op het braakliggende land. Zie het diertje gezwind omhoogklimmen om dan plotsklaps elke vleugelslag te laten varen. Telkens weer buitelt het neerwaarts om dan weer op te veren: het barst van het leven!

Maar de boer denkt na en hoe dieper hij dat doet, hoe meer het hem verontrust. Het lenteseizoen is nog maar begonnen; heeft hij zijn vlucht eerder zo vroeg op het voorjaar gezien? Natuurlijk, vandaag is het uitspansel stralend, de warmte al voelbaar in de vroege uren, maar is het voorheen zo warm geweest zo vroeg op de dag, zo vroeg op het jaar? Het zal niet lang duren eer de zon in het nekvel brandt. De boer weet: met het labeur in het verschiet zal hij niet aan de hitte ontsnappen.

De leeuwerik fladdert nu als door de duivel gebeten. Steeds sneller klapwieken zijn vleugels; de golfbeweging van zijn vlucht wordt korter. Hij vraagt zich af of dit één en dezelfde vogel is. Viert de leeuwerik het vliegende bestaan boven de velden – een vrijheidsfeest slechts te benijden voor de boer? Of werd het zo langzamerhand gek, een vertrouwd gevoel voor de tweevoeter, en ziet het op deze benauwde dag waar een mens blind voor blijft? Alsof de zwellende hitte op zijn vleugels drukt, blijft de vogel nu amper gedragen in de lucht; pas op het laatste moment slaat hij zijn vlerkjes uit. Wat als de leeuwerik zijn vleugelslag vergeet?

In de kelder van zijn gedachten wordt de boer verstoord. Vanaf de landweg klinkt hoefgetrappel; een open rijtuig daalt de heuvel af. Het zwarte koetswerk glimt in de zon die stilaan naar het zenit reikt. Als de paarden halthouden op het voorerf, springt een man in onberispelijke kleren van de koets. Het is de zoon van de kasteelheer en hij komt het geld voor zijn vader ophalen. Al een tijd daalt de heer niet meer af van het domein waar zijn kasteel staat. Het bouwwerk is een eeuwigheid, bedenkt de boer, wijl hij in de verte tuurt naar de verheven horizon: de zomen van de dreef, het gras dat altijd groen is, het eikenbos. En een bolwerk dat bestand is tegen de slijtende tijd – soms veranderen de dingen niet.

De geruchten vertellen dat de landheer steeds slechter te been is. Dat het daarom is dat zijn zoon hier nu op het erf staat. ‘Als de heer zijn koets zou opklimmen, hij zou zijn leden riskeren!’ Vreemd is het vervolgens hoe de man nog steeds deelneemt aan de jacht. Verbazend ook, hoe de edele ongeduldig zijn havik achterna zit als de roofvogel het gemunt heeft op pelswild buiten het veilige bereik van het hol. Naar men zegt, zou de man de jicht steeds minder verdragen. Als men dan ziet dat de vogel zijn klauwen in de nek van het knaagdier plant en de landheer verdappert, van huppelen naar looppas, dan is men getuige van een wonderbaarlijke genezing. En van de trofee van de heer van stand die alleen zijn eigenwaan voedt: het pulken van zijn vogel aan de veren en het vlees van zijn prooi. De boer had het gezien aan de rand van het graanveld en waagde zich op het domein van de heer om het kaalgeplukte konijn in de gracht te werpen.

Aldus paradeert er nu een jongeman op het grind van het voorland met zijn opgeblonken laarzen, knerpend op de keitjes. Het vraagt wat, om in deze hitte perfect uitgedost te zijn. Hij is egaal als marmer: bijgepunte snor, keurig gekapte haren en de wangen gladgeschoren. Het kraaknette gilet over het witte hemd. Wanneer hij in de buurt van de boer blijft staan, verspreidt hij een parfum van witte bloesems. De boer snuift rottigheid op.

De tijd is weer daar, om de schuld voor de vruchten van zijn grond af te lossen. Of beter gesteld: de schuld voor de schaarste ervan. Bitter was de zuinige oogst van vorig zomerseizoen. Maanden heeft het niet geregend en graan verdraagt geen dorre grond. Om de opgelegde opbrengst zoveel mogelijk te benaderen, heeft hij zijn rechtmatig deel afgestaan. Net zoals de boeren op de belendende velden afgeven wat ze kunnen, omdat het geldelijk bijpassen aan de landheer meer kost dan wat dat deel op de graanmarkt opbrengt.

De jonker zegt nu niets meer. Er is alleen de open hand die het koffertje zal ontvangen, waarmee de boer een deel van zijn tekort teniet zal doen. De boer spiedt angstvallig naar boven; in de verzengende lucht is geen leeuwerik meer te bespeuren.

De gedachte een gemankeerde bijdrage te leveren, kiemt als zaad in het brein van de boer. Stilaan is het een noodzaak, zoals de zaken er voorstaan. Maar de man met de kromme handen zal geen bedrog plegen zonder dat het hem zal bezwaren. Hij is een man uit één stuk, net zoals zijn vader dat was. En toch is het niet zo helder als het licht van de middag. Hij bewerkt de grond en hoort daar de vruchten van te plukken. Hij is niet zoals de landheer en wordt niet rijk met gronden waar hij nog geen verdomde voet heeft verzet. Hij is het tenslotte die het graan gezaaid, gemaaid en gedorst heeft.

Een volgende keer, dan zal hij zijn bedrog plegen. Opdat het gewicht van het geld niet zou veranderen, zal hij zijn grote munten tegen kleinere verruilen. Want de jonkman telt de bijdrage niet, daar andere muizenissen spelen in zijn hoofd. Bovendien heeft hij het kasteel als vangnet: daar stelt men het tekort vast, wanneer de collecte langs de boerenhoven wordt geteld. Op een volgende ronde wordt het dan bijgepast, als men het verschuldigde bedrag verdeelt over de boeren van het dal. Een andere uitweg broedt in de gedachten van de boer, maar het is tegen zijn wil. Om dat nog maar te overwegen.

Toen zijn vader hier nog de duiten kwam halen, zou het geen waar geweest zijn. Het stelsel van gedeelde lasten gold toen evengoed, doch als de landheer een rotte appel in zijn mand had, wou hij weten waar en wie. Het geld werd dan niet gewoon geturfd, maar elke stuiver gedraaid en gekeerd. ‘Geen vermaledijd valsmunter zou zijn waardeloos ijzer in de schatkist van de heer afwerpen!’ Andersoortig is het bij diens zoon gebleken, maar nogmaals vermeld en in het licht van het verdere verloop van het verhaal het herhalen waard: er spelen andere zaken in het betoverde hoofd van de zoon van de landheer.

De tijd dat de jonkman in afwachting van het geld op het voorland is aangeland, is de oudste boerendochter in de nabijheid aan het werk. Zelfs wanneer zij de aandacht naar zich toetrekt – het zeulen van lege melkkannen, een paar in elke hand, dat brengt nogal een gekletter teweeg – blijft de blik van de landjonker op de contouren van het woongedeelte gericht, waar straks uit de deur met wiegende heupen, de jongste dochter van de boer zal verschijnen. De boer vraagt zich af waar ze blijft en roept haar naam op vragende toon, niet veel luider dan de hoffelijkheden die hij zonet uitwisselde met de zoon van de landheer. Op signaal van haar vaders stem schrijdt ze met geloken ogen en vlasblonde haren het erf op. Terwijl haar ranke vingers het kleinood overhandigen met een deel van de schuld voor de landen van de landheer buigt haar hoofd deemoedig. Het doet haar bedeesd lijken, doch haar lach is een grimas: ze voelt zijn blik priemen. Alsof ze in goede manieren gemazeld is, laat ze haar ongemak niet merken. Het lijkt wel een hofdame.

De mooie dochter vraagt zich af hoeveel weerzin je kunt voelen voor een man die je niet kent. Van een mens is geweten dat je hem nooit echt doorgrondt, laat staan dat oppervlakkigheden het wezen blootleggen: kan het voorkomen van de jonker een gebrek aan diepgang verraden?

Het is het sprongetje van zijn wenkbrauwen als ze waagt hem aan te kijken. De schouderklopjes voor haar vader – met name dat klopje te veel. Het knikken richting de koetsier, zo die begrijpt dat het tijd is om te vertrekken, nauwelijks daarbij zijn dienaar aankijkend. En nadat hij overmatig zijn pofbroek heeft afgeklopt: de buiging gepaard met het afnemen van de hoed. Waardoor hij een vreemde haarlijn ontbloot en het lijkt alsof hij zojuist de gevel van het woonhuis heeft gegroet.

Uiteindelijk besluit de jonker dat zijn deel genoeg is. Voldoende boerendochter om zich aan te laven tot een volgend treffen. De boer en zijn dochter kijken de keurige heer na tot hij over de glooiing verdwijnt. Ook de oudste zet een tijdlang de gevulde kannen neer, wanneer ze van het grasland van een bevriende boer terugkomt. Eindelijk, hij is weg. Ter hoogte van de hellende veldweg blijft een valk in het zwerk hangen. Hij heeft een woelmuis in het vizier en schiet naar het graan. De koets herrijst tussen de stammen van de dreef, richting de hoogte van het kasteel. De lucht blijft loom terwijl de zon zakt als lood.

Naderhand zit de boer met zijn kroost aan tafel. Het meubel, waarvan het blad hen anderhalve meter scheidt, heeft al weken geen deftig stuk vlees meer gezien. Het brood dat ze eten, moeten ze zelf kopen – om de andere dag; in het dorp woekert de prijs – en de melk die ze drinken is afkomstig van de twee koeien van een goede buur. Regelmatig monstert de boer de beesten op het belendende perceel; de vetste van de twee heeft een ontstoken oog. Als het meezit, kan de boer al eens een wilde duif schieten. Doch het kruit is duur en de oude hand van de man wordt onvaster – al wil hij dat zelf niet geweten hebben. Het ontlokt de jongste dochter de prangende vraag of hij haar oudere zus niet wil instrueren in het hanteren van het jachtgeweer. Als de oudste prijs zou hebben, dan is het feest: de jongste zal in het bos van de heer heimelijk bramen plukken om bij het gebraden gevogelte te serveren en de vader zou in zijn kelder duikelen om brandewijn. Het erf zit ook vol met kraaien. Maar dat lusten de beide dochters niet.

De honger knaagt, maar het bedrog zou hem verteren. Toen zijn buur hem het vlees schonk van zijn geslachte koe, zag hij af van het idee. Niet de beste stukken maar toch, het gaf hen enkele dagen respijt tot de donderwolk terugkwam die zijn schaduw op het boerenleven afwierp als een oude kwelgeest – met een halfgevulde maag krijg je maar weinig klaar.

Ze zitten aan tafel. Het is al laat in de namiddag. De luiken zijn toe, maar de warmte is binnengeslopen. Het weinige licht komt van het halfronde raam bovenaan de deur. De jongste dochter beziet de handen van haar vader, waarvan het dunne vel de aders uitlicht. De huid is zo dun dat als het licht schuiner zou vallen, je de gejaagde hartslag van de boer zou zien. Ze ziet zijn bezwaarde ogen in zijn gerimpelde voorhoofd, de handen die aan zijn baard krabben. Hij draalt, veel meer dan hij zou willen. De vraag die hij zijn dochter wil stellen plakt droog in zijn keel; met de kruik op tafel schenkt hij zichzelf een beker in. Behoedzaam zet hij het water neer. Hij wil de dochter niet nog meer verstoren bovenop hetgeen hij haar wou vragen. Zij wordt almaar ongeduldiger; kiest de vlucht vooruit.

“Wilde je het over Rupert hebben, vader?”

De boer kijkt haar aan een met stomme blik, hoort haar vervolgens zeggen dat hij inderdaad zo heet, de zoon van de landheer. Het stoot hem tegen de borst dat ze de jonkman bij voornaam kent. Wat een naam ook, Rupert.

Ze legt haar hand op tafel in de buurt van zijn hand, waarbij ze hem even aanraakt, en komt ter zake. Ze zal de jonker vragen te dingen naar haar hand in ruil voor een kwijtschelding van de lasten. Ze zou als zijn vrouw door het leven gaan, niets tekortkomen daar in dat mooie kasteel. Rijkelijk zou haar gelag zijn, haar beddengoed proper en haar knechten gedienstig.

Ze bekijkt haar vader. Hij ontwijkt haar vorsende ogen. Ze vervolgt haar pleit en verzwijgt de molensteen rond de nek van het boerengezin; de grondlasten – de nare droom waaruit ze zouden opveren. Nee, dat is te vanzelfsprekend; de steen zit plomp mee aan tafel. Ze heeft het over een werkpaard voor haar vader, blakend melkvee voor haar zuster en de kruiden voor zijn krakende botten. Ze zou het allemaal verkrijgen als vrouw van de landjonker. Wie weet wat ze nog kan schenken: jachtoverschotten, pekel voor het wild in de kelder, werkkledij voor haar vader, avondjurken voor haar zus; misschien mogen ze de jachtfestijnen bijwonen die de heer houdt bij het oude eikenbos. Naar verluidt serveert men daar de meest voortreffelijke wijn. Ze hoeft het haar vader toch niet te vertellen: het aroma dat dan de heuvel afdaalt met de wind uit het zuiden; de geur van het allerfijnste gebraden wild, gekruid met specerijen uit alle mogelijke uithoeken van het continent!

Hij knijpt zijn ogen dicht en kantelt het hoofd ietwat zijwaarts. En dan verschijnt er een grimas op het gelaat die de kreukels in zijn wangen aanzet. Ze spreekt als een raadsheer; van wie heeft ze dat? En wat is hij toch een laffe wezel. De gedachte is een doffe steek in zijn maag: wie is het, die zich hier als de man in huis gedraagt? Ondertussen grijpen die champagnekleurige ogen van haar hem stevig vast. Ze is een rots. Wat volgt, is een lofzang op de jonker. Als ze gewaagt van een propere heer, een niet eens onknappe en zelfs mogelijks aardige man, vindt de boer dat het genoeg is geweest.

“Goed, ik spreek wel met hem.”

Regelmatig komt ze langs; een tweetal keer per week. De boer stelt haar de vraag niet. Waar hij uithangt – het propere heerschap is zelden mee. Wellicht is hij gaan jagen met de andere heren die het hof daar op de helling frequenteren. Voor de elite is de jacht een queeste naar roem. De edelmannen tafelen veel en als het meezit kunnen ze klinken op een schikking waaruit zal blijken dat een van de partijen de gewiekste is geweest. Iemand kan zich onderscheiden door zijn neus voor geldzaken of zijn verfijnde manieren, maar de jacht is toch de hoofdvogel: niemand wordt met meer respect bejegend dan de beste jager. Naar het schijnt is Rupert allerminst beroerd in het hanteren van het jachtgeweer.

Onlangs heeft hij de havik overgenomen van zijn vader, die thans een valk africht. ‘Een veel ed’ler dier’, liet de kasteelheer zich in het dorp ontvallen. Als we de heer mogen geloven, is een valk moeilijker af te richten dan een havik, maar eens getemd de beste jagersvriend. Volgens de boer was het net andersom: een havik vraagt heilige toewijding, een valk is al snel zo tam als een vink.

Op de dag dat zijn dochter zonder aan de deur te kloppen binnenvalt en haar vader in de armen neemt – wat ze nog nooit had gedaan – weet ze te vertellen dat haar echtgenoot is aangevallen door Donker, zoals de roofvogel heet.

“Donker zag hem als zijn prooi”

‘Donker’, zo bedenkt de boer, de havik heeft een naam. Zouden ze daar op de heuvel eigenlijk weten hoe hun beste smid heet? Het nog maar overwegen de ambachtsman zijn naam te bezigen, terwijl zo’n vervaarlijke vogel betiteld wordt als was het een geliefd gezinslid, zoals het hier wordt nagegalmd, door zijn bloedeigen dochter dan nog wel? De dochter zwijgt, omdat haar vader dat ook doet; ze wacht zijn respons af.

“Donker is geen slechte naam”.

Het zijn niet de woorden waar ze op wacht en zijn monkellach erbovenop doet haar vermanen.

“Enig mededogen voor mijn man – al was het maar uit hoffelijkheid – betaamt, vader!”

De boer schrikt van zijn dochter; hij kan zich niet herinneren of ze hem ooit zo aansprak. En stilzwijgend zalft hij zich met de gedachte dat niet per se de aanval van de havik hem pleziert, maar – zoals hij had gezegd – de treffende keuze van zijn naam. En mededogen? Als je de natuur denkt te temmen, kun je evengoed de Heer in zijn gezicht uitlachen. Dan kan het voorvallen dat hij zijn klauwen in jouw hoofd zet.

Zijn jongste bergt dan maar de zaken op die ze van het kasteel heeft meegenomen. De vers afgekloven klompen moesten haar vader het meest plezieren. De houtsnijder had zich vergist, waardoor ze te klein waren voor Rupert.

“De jouwe zijn toch versleten, vader?”

De boer bromt half instemmend en beeldt zich de uitbrander voor de klompenman in. Wat ze wou doen is zonneklaar. Maar hij zal het spel niet meespelen; die klompen zal hij niet dragen. Wie zegt dat ze hem passen? Ze negeert haar zwijgzame vader, die haar aansluitend relaas aanhoort: Rupert hier en Donker daar en het doden van het stoutmoedige dier passeren de revue. Haar nieuwe zus ook, waarmee ze de jachtdomeinen afstruint te paard, urenlang mee kan praten in het prachtige bos. Waarom heeft ze de dode vogel niet mee? Hij zou het beest naar de vogelopzetter in het dorp brengen. Wanneer hij zich de roofvogel boven het haardvuur verbeeldt – havik in aanvalsmodus – en zich afvraagt of de ambachtsman dat voor elkaar zou krijgen, lossen de ogen van amber hem niet en vult haar vraag de kamer.

“Waarom pas je de klompen niet, vader?”

Vandaag is Rupert wel mee. Vroeg in de ochtend schuift hij mee aan tafel met zijn vrouw en de boer. Kortstondig zwenkt ze haar ogen richting de kelderdeur – een wenk naar haar vader – waarop hij zich verwaardigt, afdaalt onder de grond, met brandewijn terugkomt en de zoon van de landheer een geut uitschenkt. In zijn jachtuitrusting die hij alreeds heeft aangetrokken, oogt de man de gemoedelijkheid zelve. Hij zit daar alsof hij daar elke week zou zitten: half zijdelings en met zijn ene been dat zijn andere op enkelhoogte kruist. De boer vindt het comfort van de landjonker misplaatst, en het verhaal dat de edele ophangt over zijn paard raakt zijn boerenverstand niet.

Blis heet het. Blis, daar gaan we weer; de boer blaast. De merrie is van een zeldzame klasse maar ze laat zich moeilijk berijden. Het kan het waard zijn een paard de tijd te geven te wennen aan zijn baas, beweert de jonker. Maar tijd en moeite – de edelman had er zelfs een nacht mee in de stal doorgebracht – bleken tevergeefs. Smartelijk vermeldt hij de weemoed in haar blik en de matheid van haar vacht.

“Ze was niet in haar sas.”

Terwijl hij die woorden uitspreekt, alsof het een nederlaag is waarvan enkel hij de schuld draagt, buigt hij zijn hoofd. Zijn haar is anders gekamd dan voorheen om de voren die de havik had achtergelaten te maskeren. Het zorgt ervoor dat hij zijn kaalheid niet langer verbergt. Het deed hem pijn de merrie van de hand te doen, hopend op een beter lot voor haar. De boer aanhoort de vertelling waaruit de dierenliefde van de jonker moet spreken alsof diens mond enkel klanken voortbrengt; woorden gespeend van betekenis. Een dier een naam geven betekent niet dat je ervan houdt.

Hij heeft in zijn lange leven nog nooit een vlinderdas gedragen. Het lachwekkende lapje stof dat zijn keel dichtsnoert lacht hem donkerbruin uit, hoezeer zijn dochter er hem ook op wijst dat het assorteert met het matleder van zijn schoenen. Ze stelt haar vader gerust: dat hij de kledingstukken draagt van haar echtgenoot, zal de landheer niet opmerken. Diens uitnodiging had ze aan haar vader plechtig voorgelezen, trots op de vruchten van haar scholing in de vaderlandse taal in de studeerkamer van het kasteel. Desgevallend mag de boer de heuvel opklauteren om er zijn afgedankte schoenen onder de feestdis aan te schuiven en het jubileum van zijn schoonzoon en dochter te fêteren.

Die luisterrijke middag in mei lost de boer vormeloos op in de beleefdheden. Woorden worden onevenredig gewisseld, handen schudden zijn handen, ogen zoeken hem maar vinden niet; een welgemeend welkom overwint de kramp in zijn gelaatsspieren niet. Geruisloos glijdt de obligate heildronk op het gevierde paar aan hem voorbij, tot de gastheer zijn welluidendheid inruilt voor inkeer: woorden gericht aan zijn overleden vrouw.

Nu spreekt de kasteelheer bijna stil. Het hoge gezelschap spitst de oren. Op haar sterfbed heeft ze die woorden nog uitgesproken, dat haar zoon een degelijke partij mocht vinden. Dat het doodzonde is; dat ze het niet heeft mogen beleven. Maar, aldus de landheer, dat ze met het uitspreken van die wens de welwillendheid van de Lieve Heer op zich had afgeroepen; die zich hier manifesteert in de verschijning van de prachtige boerendochter. Die tot een dame van klasse en stand is opengebloeid, hier aan de zijde van zijn zoon Rupert.

Het ontgaat de boer niet dat de vader naar woorden heeft gezocht om zijn zoon te loven en die vergeefs had gevonden. Al bij de aanhef van zijn toespraak – toen hij zich richtte tot de betreurde kasteelvrouw en haar terende ziekte in de mond nam – heeft de nagedachtenis de boer besmet. Met heimwee naar verloren dagen. Toen het graan nog groeide als het gras van een laagweide, en de stallingen bezijden de hofstee gevuld waren met pronkbeesten, slechts van elkaar te onderscheiden door de aders op hun uiers. Toen zijn vrouw het vee molk op een krukje dat hij bewaart in zijn slaapvertrek als een reliek. Zij die meer melk uit de tepel haalde dan hijzelf. Anders dan bij de landheer was zijn vrouw prompt uit zijn bestaan weggerukt. Toen hij het gat in het wuivende veld bemerkte en haar daar ineengedoken op het geplette graan zag liggen, viel de duisternis op zijn hoofd en welde het verdriet als een taaie bel onder zijn borstkas.

In een poging zichzelf te sterken, wendt hij de blik naar zijn dochter. Diezelfde ogen. Maar als volleerd in het ophouden van de schijn speelt ze mee in het vertoon van fortuin en geluk. En ofschoon ze koketteert of lachend haar tanden ontbloot, heeft ze het scherm voor haar ogen. Zo wil haar vader het benoemen: het vlies dat haar verdriet versluiert sedert de dag van haar uithuizigheid.

Vervolgens vraagt Rupert het woord. De vroege avond luwt de vormen en versterkt de kleuren. Aan de muur naast de deur die uitgeeft op de wapenkamer die thans gesloten is, bemerkt de boer een schilderij: een kudde zwarte schapen verdringt zich in het canvas met een witte schapenbok pal in het midden. Het levensgrote tableau achter de stoel van de landheer had de boer al eerder gezien. Een heer op een rijdier – waarvan de schilder de spieren heeft aangezet – kijkt neer op het gehele gelag. Van waar je ook kijkt, de man kijkt met strenge ogen terug.

Dan laat de landjonker een bezwaarde blik over tafel glijden. Hij schraapt zijn keel, zet zich schrap.

Disgenoten,

Laatst werd ik wakker. Mijn vrouw was al vroeger opgestaan; haar deel van het bed was koud. Ik sloeg de luiken van onze slaapkamer open. Ze was in de tuin. Het was een prachtige dag.

Echter, wat me zou moeten verwarmen door de dag, is niet wat ik aanschouwde. Ik zag: een mooie dame met een mooie lach. Ze lachte mij toe, maar niet anders dan een dame van het hof. Niet anders dan de beleefde dienstmeid, erkentelijk voor het loon of voor de woorden van respect die ze mag ontvangen. Ik zag niet: blij je te zien, wat een mooie dageraad, blij dat ik dit met jou vermag. Ik zag een donkere schaduw schuiven over haar gelaat. Die schaduw: dat ben ik.

De zoon van de landheer staat voor de drempel van hetgeen hij zal zeggen en hij niet zal terugdraaien. Meer ingetogen vervolgt hij zijn toespraak, en met snellere halen.

Ik kan niet langer het geluk versmoren van een dame, nog pril en beloftevol in haar levenswandel. Ik laat haar gaan. Het zij zo. Zij, haar vader en haar zus zullen niets tekortkomen; dat wordt geregeld.

Een kamerbreed spook sluipt door de ruimte. Dienaars glijden het vertrek in om een hete soep op te dienen; de borden dampen geurig in het avondlicht. Gezichten kruipen langzaam in verstomming, ogen sperren zich open met ongeloof en monden verraden een vleug sensatie. De maître staat stijf aan het hoofdeind van de tafel en doorbreekt de stilte.

“Kreeftensoep met dille.”

De stilte blijft een tijd onwezenlijk op het gezelschap wegen. Onhandig wordt een glas aangestoten. Iemand fluistert in ontzetting: het is de neef van de jonkheer die gedempt briest tegen zijn echtgenote. En vervolgens – het is van een schaamteloos allooi – schiet het tenengekrom al helemaal in een kramp: de landheer lacht en giert minutenlang, het stopt niet. Eindelijk bij zijn zinnen wijst hij de tafel aan en spreekt als een veldheer het gezelschap aan.

“Wel, laat het niet koud worden.”

De stem van de nobele jonkheer klinkt de boer steeds luider in gedachten. Hij heeft de luister voortijdig adieu gezegd, zoals een aanzienlijk deel van de genodigden, die uit schaamte het feest in mineur laten voor wat het is. Anderen wachten dan weer op een volgende schotel. Het komt hen voor dat het toch al te zondig is het verfijnde eten te laten staan.

Temidden van het rijenpaar van statige beuken stapt de boer de dreef af die het landgoed doormidden snijdt. De reuzen staan al vol in het blad en ruisen boven het hoofd van de man die zich voortsleept op de aardeweg. In de verte hoort hij gehoon en gelach; een klein gezelschap loopt voor hem uit, een vrouw kijkt lang over haar schouder. Heeft de man zich verkeken op het heerschap? Is de hooghartige omgang van de zoon van de landheer met de boeren in het dal het oppervlakkige dat het wezen verbergt? De boer slaat nu de onverharde weg in die naar zijn gronden leidt en ondanks het mooie weer overweegt hij de haard te ontsteken met het resterende brandhout van de voorraad die zijn dochter hem deze winter had gebracht. Hij die altijd had gedacht dat de jonkman zijn dochter beschouwt als een jachttrofee; als een handel in koopwaar, een pronkstuk voor de edele. Koortsachtig verdwijnt hij in de schuur naast de lege stallingen, waar hij het eikenhout in een stootkar verzamelt. Het is troebel in zijn hoofd. De herinnering aan zijn vader komt hem voor de geest: hij ziet zijn geharde trekken; zijn rimpels als de getuigen van het onrecht in zijn gelaat getrokken.

Zijn vader had net het kasteel op visite gehad. Niet om het graandeel te collecteren, anders was het de kasteelheer geweest die daar op het hof stond. Maar de man op het schilderij in de gelagzaal had niet de manhaftigheid om het hem lui-même in het gezicht van de boer te vertellen. Dus klopte er een bode aan bij de boer en zijn zonen, waarvan de oudste in de deuropening een kijkje kwam nemen. De bode vertelde dat voortaan het zaad van het graan enkel in het kasteel te koop was. Niet meer aan de rand van het dorp, tien percelen verderop, waar de oude Antoon zijn nering aan de landheer had verpatst. De gluiperd. Nooit is het genoeg; hoe is het in godsnaam mogelijk om met één hand in twee zakken te graaien? Nog terwijl de boer dat tegen hem fulmineerde, verdween de bode van het erf, draafde op zijn schimmel verder het dal in en klopte aan bij de hofstee van de buur van de boer.

De zoon van de boer herinnert zich die dag alsof het gisteren was en ontsteekt het brandhout in de leefkamer. Zijn kleindochter valt het vertrek binnen, het stof nog op haar benen, en neemt de boerenzoon in de armen. In het omhelzen van zijn dochter denkt hij aan de grauwe pap die de familie al heeft moeten slikken. Hoe ze niet anders kunnen, omdat de vernedering het broertje van de honger overleeft. Wanneer ze hem blijft vasthouden, knaagt de bedenking: hoort hij niet gelukkig te zijn voor haar, nu ze na vijf jaren is bevrijd uit de klauwen van het kasteel?

Haar spiegelbeeld toont het sieraad nog om de hals. De herwonnen dochter haakt het los, strijkt even over de halsstreek waar voorheen de ketting rustte, en bergt het kleinood op in een schuif. Ze maakt het opgestoken haar los en kruipt onder de dekens, die al die tijd koud op haar hebben gewacht. Ze vat de slaap niet en staat terug op, draait aan de olielamp en begeeft zich weer naar de spiegel, waar ze de lade openschuift. Nog één enkele keer kijkt ze naar het gouden medaillon. Het vertakte gewei van een edelhert met haar meisjesnaam erdoor gegrift: P h e r a. Morgen brengt ze het sieraad terug naar de man die het haar heeft geschonken.

Het weer slaat om. Phera is er niet op voorbereid. Haar huid wordt nat; de regen legt een blinkende laag op haar armen. Het gekletter dwingt haar te laveren tussen de plassen door. Het verlengt de weg naar het nakende, bezwarende moment. Ze kan het sieraad niet meer houden. Ze vraagt de jonkheer het terug te nemen. De jonker antwoordt dat hij dat evenmin kan; het juweel is door de tijd achterhaald, en dan kruisen hun blikken op een wijze als nooit tevoren. Gelijktijdig pompt het bloed door hun weke lijf met korte, snelle halen en hun blikveld wordt wazig en de aanblik van hun ogen heiig en de jonge vrouw verdwijnt ijlings uit de slaapkamer van de jonge heer, beveelt de poortwachter die haar ziet aandraven, versnelt naar looppas op het brede pad tussen de bomen waar het modderwater spat op haar snelle, gladde onderbenen. Wat was dat?

Naderend onheil verschijnt voor hem de laatste weken in twee gedaantes en vandaag de beiden tezamen: kurkdroog weer – ook nu zindert de lucht van de hitte – en het paard van de kasteelbode dat op de landweg afdaalt. Het dier staat te drentelen op het voorland en zijn ruiter wacht op de boer die vanaf de landen van zijn buur komt aangelopen – meer hinken dan hollen. Als de boer dat wil, kan hij zijn gebruiksgronden van de landheer afkopen. De boer zwijgt en wacht argwanend op de adder. Hij kan een schenking verkrijgen bij de kasteelheer, mits aangedikte terugbetaling van het geld, uiteraard. De adder komt niet. Een lening kost meer dan het geleende bedrag, dat is nu eenmaal hoe het werkt. Maar de boer vertrouwt het niet. En de leurderspraat van de bode doet er geen goed aan: de gronden zouden zijn eigendom zijn; had de boer al aan de pacht gedacht die hem zou toekomen? De boer glimlacht. Voluit: al zijn tanden bloot! Wel verdraaid, de boer zou landheer worden! Hij denkt aan zijn vrouw zaliger; hoe die terstond in haar graf naar adem zou happen. Beveelt de bode van zijn grond te verdwijnen.

Als de bode in een tergend drafje de heuvel bestijgt en het stof op de landweg is gaan liggen, kijkt hij mijmerend uit over de velden, waar de halmen met het jaar korter worden. Tegelijkertijd voelt hij de gewrichten jammeren in zijn onderstel. Die kruidenthee helpt geen zier. De lucht grijnst bevreemdend blauw en lijkt niet op de hemel van zijn kinderdagen. Geen vliegend wezen is te bespeuren in het uitspansel, alleen dat stel kibbelende kraaien op zijn erf bij een aangevreten duivenkarkas. Over de tijd die hem nog rest maakt hij zich geen begoochelingen. Zijn oudste dochter heeft het harde boerenleven in zich, maar helaas veranderen de tijden. En snel. Niet dat hij ooit die woorden zal uitspreken, maar om nog goed te trouwen heeft ze haar wonderjaren te ver achter zich. Het is de elite die kiest. En in het dorp lopen de jonkknapen niet dik gezaaid. Het zou hen ook geen morzel vooruithelpen: de kroost van gebochelde hoefsmeden, wier vaders van voorspoed spreken als het rijdier van een verdwaalde koopman in hun smederij landt. Of de zonen van lieden die kruimige kaasbollen maken van een stel geiten. Geiten, godbetert. En zijn jongste, tja…Eens hij uit de zuigende modder van deze aardkluit is verdwenen, zal ze gewis deze vervloekte grond verlaten. En neem het haar eens kwalijk.

Als de andere dag de bode terugkomt, vertolkt hij de toorn van de heer die de voorspraak van zijn zoon nietig verklaart: de gronden van de boer zijn niet langer lastenvrij. De bodem van de put hadden ze derhalve nog niet bereikt. Maar hoe weerbarstiger het bestaan, hoe meer het een strijd is; de boer krijgen ze er niet onder, op de ziel van zijn dierbare dochters, begot niet! Omdat ze geen honger zullen lijden, zal Phera zich het wapen toe-eigenen. Want zij kent de bossen van de heer, weet wanneer Rupert daar niet rondwaart met zijn jagersknechten. Gedaan met schamel kleinwild van hun velden; de beesten van het bos zullen hun magen vullen. Hoe groter, hoe liever!

De noodzaak baart het meesterschap: ze overtreft haar zus – in het laden, richten, vasthouden, treffen. Met één welgemikte treffer in het bos en de pekel in zijn kelder kunnen ze de zomer door. In het jagershemd van haar vader en met de laarzen van haar zus schiet ze in de schemer van de avond hertenwild aan. Het beest vlucht onder luid gejoel, het edelhert schiet over de grasvlakte het bos in, uit haar gezichtsveld zijgt het ergens neer in het braamstruweel. Het gereutel jaagt haar van de domeinen van de heer met de dreinende vrees voor de slapende honden die ze heeft gewekt. Met lege graanzakken en een jagersmes waaraan geen beestenbloed kleeft, staat ze terug op het boerenerf, waar haar zuster de deur voor haar opent. 

Je kunt niet tegelijk op de grond van de heer spuwen en de vruchten ervan kapen – wat had hij in zijn hoofd gehaald. Omdat de eieren en de melk hen de strot uitkomen en Nader – de nieuwe havik van de jonker – zijn land leegrooft, staat hij zijn eerstgeborene toe hun oudste kip te slachten. In het verderf van de zomer, wanneer het licht al taant, de graanoogst geen soelaas brengt – wat haalde hij in zijn hoofd – zijn de dochters vastberaden. Ze zullen zich richten op reeënwild. Getweeën staan ze sterker; al is het maar om het dier te dragen – wie weet twee dieren. Omdat de nachten al sneller vallen, ligt de boer nog niet in zijn ledikant als zijn dochters die avond het verboden land betreden. En omdat hij op zijn strozak de slaap niet kan vatten, duurt het niet lang eer hij aan de voordeur staat als zijn dochters met haastig geklop terugkomen. Hij ontgrendelt de dubbele schuif van de deur, waar in de opening het forsere silhouet van zijn oudste in het tegenlicht van de maan verschijnt. Huilend legt ze haar hoofd neer op de borstkas van de boer, en op zijn schouders worden haar handen afgedrukt in zijn nachthemd met het bloed dat eraan kleeft.

Vader en dochter dringen door in het diepe domein. Als het bos dunner wordt, kruipt de maan tussen de kruinen aan de rand van een laar. Net als de oudste de onheilsplek aankondigt, botst de boer onverhoeds tegen een dood hert aan. Als ze de zoom van de grasvlakte betreden, komt haar bleke gezicht tevoorschijn; grijs in het volle maanlicht. Haar levenloze lijf ligt op het begraasde gras en is bedekt met vertakt struweel, door haar zuster daar neergelegd. Als de boer de takken van het ranke lijk afhaalt, ziet hij de donkere vlek waar de hagel de borst had binnengedrongen. Ter hoogte van het borstbeen, zijdelings van het hart; de plek waar ze jarenlang het medaillon had gedragen. De dood lijkt niet snel ingetreden; het warme leven allicht traag uit haar blanke lichaam gevloeid.

De vraag dringt zich op, naar de ware toedracht van de dood van de deerne. De vader bevraagt zijn dochter met het ongeloof dat het noodlot steevast vergezelt. Onder gesnik zweert de oudste bij geritsel in de struiken, hoe ze dachten een ree op het spoor te zijn en hoe haar zus recht in het schootsveld liep van de schutter. En neen, de dader had ze niet herkend; ze zag een mannenschim het woud invluchten. Een man, dat is ze zeker. Een jachtongeval is niet uit te sluiten en een terechtstelling evenmin, voor het betreden en gebruiken van de bossen van de heer. Net zo min, als de moord met het geweer door de zoon van de kasteelheer; zijn gebroken hart gewroken.

Sedert Phera haar medaillon had teruggebracht, heeft Rupert haar niet meer gezien. Die laatste glimp van zijn grote liefde heeft de jonkheer aan zijn vertrekken gekluisterd. De maaltijden die men hem brengt, raakt hij nauwelijks aan. De jacht laat hij op zijn beloop. Is het daar dat de wroeging groeit, daar in de beslotenheid van zijn donkere kamers – hij opent de luiken maar laat de gordijnen toe – dat zijn getroebleerde gedachten op een misdaad broeden, een vertoornde geest die uit de fles moet met de hagel van zijn jachtgeweer?

Wat de boer denkt, laat zich raden. In elk geval: iemand van het kasteelvolk heeft bloed aan zijn handen. De elite heeft zijn dochter vermoord. En in de schaduw van de populieren waar zijn landen grenzen aan het domein van het kasteel, en in het gezelschap van elke boer van het verdoemde dal, begraaft hij zijn dochter met de woorden:

“Aan het leven hebt ge niets te zeggen”.

Het woordenaantal dat hij uitbrengt met de mond geklemd, onder het doffe geluid van de aarde op de kist, daar zal hij in zijn leven het honderdvoudige niet meer van uitspreken. Ook aan de dood hebt ge niets te zeggen.